8-5-2026

De stille burn-out achter de AI-revolutie

Toine Schijvenaars

Wat een tijd om in IT te werken. Een feature waar ik vorig jaar nog zes weken over deed, lever ik nu op een vrijdagmiddag op, met Claude of Copilot naast me. Adviesstukken waar ik vroeger weken op kauwde, staan er in dagen. Baanbrekend. Echt waar.

En toch knaagt er iets.

Om te beginnen iets ongemakkelijks, dat ik bijna niet hardop durf te zeggen. Een groot deel van het werk waar mijn naam onder staat, is niet meer helemaal van mij. Een prompt hier, een suggestie daar, een formulering die ik niet zelf had bedacht maar wel heb goedgekeurd. Het werkt. Het is zelfs goed. Maar als iemand me complimenteert met die ene elegante redenering, voel ik een korte aarzeling. Moet ik er iets bij zeggen, of houd ik mijn mond? Een soort imposter syndrome, maar dan met een nieuwe smaak. Niet de angst dat ik het niet kan, maar het besef dat iets anders het deels voor me doet.

Ondertussen zie ik collega’s die ’s avonds nog “even één prompt” proberen, nog één stuk afmaken. De AI werkt namelijk door. Claude slaapt niet, kent geen weekend, vraagt geen vrij. En dat schept een verwachting die nergens hardop wordt uitgesproken: als de tools 24/7 beschikbaar zijn, waarom de mens dan niet?

De paradox is wrang. De technologie zou ons werk lichter maken, maar in de praktijk schuift de norm gewoon mee. Wat vorig jaar snel was, is nu traag. Wat goed genoeg was, is nu ondermaats. De lat gaat niet een beetje omhoog, hij verdwijnt uit het zicht.

Voor een architect is AI overigens ook gewoon ideaal. Ik kan nu systemen ontwerpen zonder afhankelijk te zijn van een team eigenwijze collega’s die elke keuze drie keer ter discussie stellen. Claude luistert altijd, zucht nooit, en als ik mijn ontwerp om half vijf op vrijdag omgooi gaat hij vrolijk mee. Sterker nog, hij geeft me af en toe het vriendelijke advies om na twaalf uur te stoppen met prompten, en als ik dat negeer gaat hij gewoon door. Een team junioren met tomeloze energie en oprechte interesse in alles wat ik zeg. Heerlijk. En precies daar zit het venijn. Want zonder die eigenwijze collega die roept “weet je dit zeker?”, verdwijnt ook de natuurlijke rem op mijn eigen tempo.

Organisaties zien intussen vooral de output. Roadmaps korter, deadlines strakker, teams uitgedund. “Met AI kan dit toch sneller?” is de nieuwe standaardvraag in elke stuurgroep. Maar niemand vraagt of de mens dit tempo wel volhoudt. En of we dat eigenlijk wel willen.

Ik geloof oprecht in de belofte van AI. Misschien wel de mooiste sprong voorwaarts sinds de opkomst van het internet. Maar als we niet oppassen, krijgen we een industrie waarin de tools onvermoeibaar zijn en de mensen op. Waarin niemand meer durft te zeggen waar zijn werk eindigt en het werk van de machine begint.

Over wat AI kán, praten we genoeg. Over wat het met óns doet, eigenlijk nauwelijks. En zolang dat zo blijft, stevenen we niet af op een productiviteitsrevolutie. Dan stevenen we af op een collectieve IT burn-out.

Deze column is mede mogelijk gemaakt door Claude.

Interessant? Deel het!
Illustratie stel je vraag
Meer weten over deze blog?

Neem contact op met ons, we vertellen er graag meer over!

© ArchiXL  |  KvK 05084421